In de analyse van de transcripties worden onder andere de volgende zaken
geobserveerd:
De processen. Daarbij wordt onderzocht of er in de processen/vorm van de
opstellingen structuren, stadia en interventies herkenbaar zijn die typisch
lijken te zijn voor ziekte-/ symptoomopstellingen. Ook wordt de mate van
overeenkomst/verschil tussen de verschillende begeleiders geanalyseerd.
Verschillen/overeenkomsten van familie-
dynamieken die we zien in opstellingen rond verschillende
ziekten/symptomen. (Onder een familiedynamiek verstaan we een patroon van
rollen, relaties en attitudes dat typisch in families optreedt rondom een
bepaald patroon van gebeurtenissen). Ook wordt onderzocht of de waargenomen
dynamieken verschillen per cultuur of niet.
De relatie tussen de begeleider en de cliënt. Uitingen van
die relatie worden genoteerd, zodat later kan worden onderzocht of er een
correlatie is tussen de aard van deze relatie enerzijds en de eventuele
veranderingen in de ziekte/het symptoom van de cliënt of diens beleving
daarvan anderzijds.
De mate waarin de begeleider hypothetisch-
analytisch werkt, dan wel fenomenologisch.
Dat wil zeggen, de mate waarin de informatie van de
cliënt (en de daarop gebaseerde hypothesen van de begeleider) leidend zijn in
het proces, versus de mate waarin de begeleider zich laat leiden door de
uitingen van de representanten.